direct naar inhoud van Toelichting
Plan: ontwikkeling Parallelweg te Sint Pancras
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0416.BPSP2012part003-on01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Ligging van het plangebied

Het plangebied van dit bestemmingsplan betreft de voormalige kerklocatie en de aangrenzend gelegen parkeerstrook aan de Parallelweg in Sint Pancras. De onbebouwde gronden zijn bestemd voor 'Groen' en voorzien van een wijzigingsbevoegdheid. Binnen het wijzigingsgebied mag worden gewijzigd naar de woonfunctie. In het wijzigingsgebied mogen ten hoogste drie vrijstaande woningen worden gebouwd. De aangrenzende parkeerstrook is bestemd voor 'Verkeer'.

De exacte ligging van het plangebied blijkt uit de planbegrenzing van de verbeelding van dit bestemmingsplan. Onderstaande luchtfoto met kadastrale belijning geeft een concrete indruk van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0416.BPSP2012part003-on01_0001.png"

Figuur 1. Luchtfoto van plangebied

1.2 Aanleiding en planvoornemen

Naar aanleiding van een verzoek van de Stichting WOEL Langedijk (Wonen op Eigen Locatie) besloot het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Langedijk op 21 januari 2014 de locatie De Ark, aan de Parallelweg te Sint Pancras, aan te merken als een kansrijke locatie voor de ontwikkeling van een zestal woningen via Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO). De locatie betreft een ‘veldje’ van ongeveer 960 m2, waar voorheen een noodgebouw voor de kerk ‘De Ark’ was gevestigd. Het terrein ligt inmiddels een jaar of zeven braak. De gronden zijn in eigendom van de gemeente Langedijk.

Tevens besloot het college bij besluit van 21 januari 2014 “in te zetten op een vervolgtraject met de Stichting WOEL om te komen tot afspraken over ontwikkelingskaders en grondverkoop aan participanten in een op te richten kopersvereniging”.

De crisis op de woningmarkt heeft hierna een belangrijke rol gespeeld in het moeizame verloop om te komen tot een concreet project. Uiteindelijk is op 15 januari 2016 de ‘kopersvereniging De Ark’ formeel opgericht. In augustus 2017 was de kopersvereniging volledig op sterkte en is ‘doorgepakt’ in het traject met de gemeente Langedijk. De kopersvereniging bestaat uit een groep jonge, enthousiaste één- en tweepersoonshuishoudens, veelal van Pancrasser afkomst. De Stichting WOEL fungeert als begeleider van de opgerichte kopersvereniging en als aanjager van het project. De gemeente Langedijk heeft voornamelijk een faciliterende rol, waarvan het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan een onderdeel is.

Het huidige planvoornemen van de kopersvereniging ziet op de realisatie van twee blokken van drie rijen woningen. In totaal is beoogd dat er binnen het plangebied zes woningen worden gerealiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0416.BPSP2012part003-on01_0002.png"

Figuur 2. Kaartfragment voorgenomen ontwikkeling

1.3 Huidig juridisch-planologisch regime

Voor het plangebied is het bestemmingsplan 'Sint Pancras', vastgesteld door de gemeenteraad op 28 mei 2013, van toepassing. Het plangebied is grotendeels bestemd voor 'Groen' en een klein deel is bestemd voor 'Verkeer'. Daarnaast geldt een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Ook is voor een groot deel van het plangebied een wijzigingsbevoegdheid van toepassing, middels de gebiedsaanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 6".

afbeelding "i_NL.IMRO.0416.BPSP2012part003-on01_0003.png"

Figuur 3. Kaartfragment geldend bestemmingsplan Sint Pancras

Om het planvoornemen betreffende de bouw van twee blokken van drie rijenwoningen mogelijk te maken wordt door middel van dit bestemmingsplan aan het plangebied de bestemmingen 'Tuin' en 'Wonen - Rij' toegekend. Hierbij is aangesloten bij de plansystematiek van het geldende bestemmingsplan Sint Pancras. De geldende archeologische dubbelbestemming is gecontinueerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0416.BPSP2012part003-on01_0004.png"

Figuur 4. Kaartfragment nieuw bestemmingsplan ontwikkeling Parallelweg te Sint Pancras

1.4 Doelstelling

Doelstelling van dit bestemmingsplan is om het ter plaatse geldende bestemmingsplan Sint Pancras zodanig te herzien dat een passende juridisch-planologische regeling in het plangebied van toepassing wordt die recht doet aan het gewenste planvoornemen, te weten de bouw van twee woonblokken van drie rijenwoningen met een bijbehorende voortuin.

1.5 Leeswijzer

Na de inleiding in dit hoofdstuk is in hoofdstuk 2 het voor dit plan relevante overheidsbeleid uiteengezet. Een omschrijving van de omgevingsaspecten, uit oogpunt van milieu en planologie bezien, is in het daarop volgende hoofdstuk opgenomen. In hoofdstuk 4 is de juridische toelichting op dit bestemmingsplan gegeven. Tot slot is in hoofdstuk 5 de (economische en maatschappelijke) uitvoerbaarheid uiteengezet.

Hoofdstuk 2 Beleidskader

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten passen binnen wetten, regels en beleid van het Rijk, de provincie, eventueel regionaal gevoerd beleid op intergemeentelijk niveau en de gemeente.

2.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)

Op 13-03-2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. Hierin is de visie van het Rijk op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 aangegeven. Dit betreft een integraal kader voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR is gekozen voor een selectieve inzet van het rijksbeleid waarbij 13 nationale belangen aan de orde zijn die in de SVIR verder gebiedsgericht zijn uitgewerkt in concrete opgaven voor de diverse onderscheiden regio's. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden meer beleidsvrijheid op het terrein van de ruimtelijke ordening gekregen; het Kabinet is van mening dat provincies en gemeenten beter op de hoogte zijn van de actuele situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties en daardoor beter kunnen afwegen welke (ruimtelijke) ingrepen in een gebied nodig zijn.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2011)

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) biedt de basis voor het stellen van algemene regels, op te nemen in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). Die regels richten zich primair op gemeenten, die het eerstverantwoordelijke overheidsniveau zijn voor de inhoud van ruimtelijke plannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, 07-12-2011), ook wel bekend onder de naam AMvB Ruimte, zijn de nationale belangen uit de SVIR voorzien van juridische kaders, waarmee de doorwerking van de nationale belangen op ruimtelijk gebied is geborgd.

Uit het Barro blijkt dat voor het planvoornemen en het plangebied geen sprake is van specifieke aspecten van nationaal belang. Wel geldt bij elk ruimtelijk plan nationaal belang 13. Hiermee vraagt het Rijk om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de zogeheten Ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Deze verplichte toetsing is vastgelegd in het Barrro, dat weer verwijst naar het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

Ladder voor duurzame verstedelijking

Artikel 3.1.6, lid 2 Bro schrijft voor dat de onderbouwing van een ruimtelijk plan, waar een nieuwe stedelijke ontwikkeling mee mogelijk wordt gemaakt, aan de Ladder moet voldoen. Per 01-07-2017 is een vereenvoudigde Ladder van toepassing. Voor dit bestemmingsplan relevante wijzigingen hierin zijn de volgende:

  • De definities zijn niet gewijzigd, waardoor de uitgezette lijn in de jurisprudentie in stand blijft.
  • De begrippen 'actuele' en 'regionale' (behoefte) zijn geschrapt.
  • De nieuwe Ladder bevat geen treden meer. Treden 1 en 2 zijn samengevoegd en trede 3 is geschrapt.
  • Voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied geldt een uitgebreide motiveringsplicht.


De tekst uit het Bro luidt nu als volgt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."

De eerste afweging in de toetsing aan de Ladder is het beantwoorden van de vraag of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hiervoor kan worden gekeken naar jurisprudentie. Uit rechtspraak [ABRvS 8 april 2015, nr. 201401119/1/R1 (Tubbergen)] blijkt dat niet iedere ontwikkeling van onder meer woningbouw als stedelijke ontwikkeling valt te kwalificeren. Zo is geoordeeld dat kleinschalige woningbouw (maximaal 11 woningen) geen stedelijke ontwikkeling betreft. In dat kader is met voorliggend planvoornemen voor ten hoogste zes nieuw te bouwen woningen dan ook geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Ladder is dan ook verder niet van toepassing.

2.2 Provinciaal beleid

Structuurvisie Noord-Holland Noord 2040

In de Structuurvisie Noord-Holland 2040 (vastgesteld door Provinciale Staten d.d. 21-06-2010) zijn de uitgangspunten en de sturingsfilosofie uit het Ontwikkelingsbeeld Noord-Holland Noord, het voorheen geldende streekplan, overgenomen. Uitgangspunt voor de structuurvisie is ‘kwaliteit door veelzijdigheid’. Noord-Holland moet aantrekkelijk blijven in wat het is: een diverse, internationaal concurrerende regio, in contact met het water en uitgaande van de kracht van het landschap. Gelet op voorgaande doelstelling heeft de provincie een aantal provinciale belangen aangewezen. De drie hoofdbelangen (ruimtelijke kwaliteit, duurzaam ruimtegebruik en klimaatbestendigheid) vormen gezamenlijk de ruimtelijke hoofddoelstelling van de provincie. De structuurvisie is uitsluitend bindend voor de provincie zelf en niet voor gemeenten en burgers.

Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (2010)

Provinciale Staten hebben in juni 2010 de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie vastgesteld. In dit beleidskader is door de provincie aangegeven welke landschappelijke en cultuurhistorische elementen overwogen moeten worden bij (ruimtelijke) ontwikkelingen en uitgangspunt kunnen zijn voor plannen. De ontwikkelingsgerichte benadering is het uitgangspunt van beleid: behoud door ontwikkeling. Momenteel wordt door de provincie gewerkt aan een herziening van de leidraad.

Provinciale Ruimtelijke Verordening (2017)

Provinciale Staten hebben op 12-12-2016 een nieuwe Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) vastgesteld die per 01-03-2017 van kracht is geworden. In de PRV zijn de provinciale belangen uit de Structuurvisie Noord-Holland 2040 van 2010 uitgewerkt in algemene regels. In de PRV is aangesloten bij de Ladder voor duurzame verstedelijking. Verschillende regels zijn opgenomen over onderwerpen, in zowel het landelijk als het bestaand stedelijk gebied van Noord-Holland, waar een provinciaal belang mee gemoeid is. Afhankelijk van de ligging van het plangebied zijn de regels uit de verordening al dan niet van toepassing. Het bestaand stedelijk gebied is in het provinciale overheidsbeleid beleidsmatig aangewezen voor verdere verstedelijking. Het plangebied maakt deel uit van het bestaand stedelijk gebied. Het voorliggende plan is niet van een zodanige aard of schaal dat provinciale belangen in het geding zijn en/of regels uit de verordening worden overtreden.

Provinciale Woonvisie 2010-2020 (2010)

In september 2010 is de Provinciale woonvisie 2010-2020: Goed wonen in Noord-Holland vastgesteld. Hiermee kiest de provincie wat betreft woningbouw voor een nadruk op de kwaliteit, naast de aantallen woningen. Doelstelling van de visie is dat de inwoners van Noord-Holland in 2020 beschikken over voldoende woningen met een passende kwaliteit in een aantrekkelijk woonmilieu. In de woonvisie zijn drie opgaven benoemd waarvoor de provincie zich gesteld weet:

  • 1. De demografische ontwikkelingen vergrijzing, ontgroening en afnemende groei zijn trends die zich in de gehele provincie voordoen. Tegelijkertijd is een belangrijk kenmerk van die trends dat ze zich overal op een andere manier of snelheid voordoen. Dit maakt afstemmen en beleidsvorming op regionaal niveau des te belangrijker.
  • 2. Een combinatie van maatschappelijke ontwikkelingen: individualisering en differentiatie van consumentenbehoeften, extramuralisering in de zorg en bewustwording van klimaatproblematiek.
  • 3. Economische ontwikkelingen en de effecten daarvan op de woningmarkt. De betaalbaarheid en financieringsmogelijkheden staan onder druk, terwijl tegelijkertijd sprake is van vraaguitval en waardedaling in bestaand vastgoed. De precieze consequenties hiervan op de woningmarkt laten zich moeilijk aanzien.

Op basis van vorengaande opgaven en de ambities zijn drie speerpunten van beleid opgesteld. Dit betreft het verbeteren van de afstemming tussen vraag en aanbod voor alle consumenten (en specifiek voor doelgroepen die minder kansen hebben op het vinden van een geschikte woning), het verbeteren van de mate waarin voorzieningen in de woonomgeving aansluiten bij de vraag van bewoners en het verbeteren van de duurzaamheid van het woningaanbod en de woonomgeving.

Deze speerpunten zijn geconcretiseerd in opgaven voor de periode 2010-2020 die door de provincie en de regio’s moeten worden vertaald in afspraken in de Regionale Actie Programma’s (RAP’s).

2.3 Regionaal beleid

Regionale Woonvisie Regio Alkmaar 2013-2020 (2013)

Het woonbeleid in de regio Alkmaar (waar de gemeente Langedijk samen met de gemeenten Alkmaar, Bergen, Castricum, Heerhugowaard en Heiloo deel van uitmaakt) is in de Regionale Woonvisie Regio Alkmaar 2013-2020 vastgelegd. De gemeenten en woningmarktpartijen in de regio werken intensief samen en maken afspraken over ieders rol op het terrein van wonen. De regionale woonvisie is opgesteld om als kader te kunnen dienen voor lokale woonvisies van de gemeenten en om richting te geven voor afspraken met marktpartijen. Daarbij wordt voldoende ruimte gelaten om op de lokale behoefte in te spelen. De gemeente Langedijk heeft d.d. 03-07-2013 met de regionale woonvisie ingestemd

In de regionale woonvisie is geconstateerd dat er thans in de regio getalsmatig geen grote knelpunten zijn, maar dat er op termijn wel schaarste in de goedkope voorraad kan komen en dat de regio met vergrijzing te maken krijgt. Wel is er nu sprake van een beperkte doorstroming in zowel koop als huur. Naast een kwantitatieve balans is er een verdelingsvraagstuk. De opgave is betaalbaarheid en het toevoegen van het juiste aanbod. Aanvullend is als visie op de woningmarkt door de regio gesteld dat zij een aantrekkelijke regio wil zijn waar de huidige en toekomstige inwoners graag willen blijven wonen en een gewenste wooncarrière kunnen maken.

Omdat het, anders dan voorheen, moeilijker is om een oplossing in de nieuwbouw te realiseren, moet juist nu de focus op het waarborgen van de totale voorraad in de regio worden gelegd. Daarnaast is het de uitdaging om te zorgen dat de aantallen nieuwbouw überhaupt gerealiseerd worden met aandacht voor het betaalbare segment. Het is daarbij zaak geworden om in te spelen op de daadwerkelijke behoeftes en mogelijkheden van de klant en de ontwikkelende partij. Tegelijk wil de regio waarborgen dat woningbouwplannen kwalitatief bijdragen aan de lokale voorraad. De regio stelt daarom dat ontwikkelende partijen en gemeenten gezamenlijk moeten zoeken naar het optimale bouwplan.

Regionaal Actieprogramma Wonen (RAP)

De provincie Noord-Holland streeft met haar woonvisie naar voldoende woningen van goede kwaliteit en heeft met haar ruimtelijke verordening de verplichting vastgelegd dat daarover regionaal afspraken worden gemaakt. Woningbouwontwikkelingen binnen het stedelijk gebied die niet aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' hoeven te worden getoetst (minder dan 12 woningen) hoeven in het kader van de RAP niet regionaal afgestemd te worden. Ze tellen uiteraard wel mee in de totale plancapaciteit. Het voorliggende planvoornemen voor de bouw van zes woningen past binnen de regionaal gemaakte afspraken. Hiermee hoeft het plan verder niet regionaal te worden afgestemd.

Waterplan Harenkarspel-Langedijk 2012-2016

De gemeente Langedijk en de vroegere gemeente Harenkarspel hebben in gezamenlijkheid met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) een waterplan opgesteld. Hierin is een beschrijving gegeven van de bestaande watersystemen, een visie waarbij Europese en landelijke regelgeving is vertaald naar de lokale situatie en een beschrijving van maatregelen die voortvloeien uit de wettelijk verplichte (noodzakelijke) en de gewenste maatregelen. De visie is opgesteld voor de periode tot 2030. Het uitvoeringsprogramma bevat maatregelen die in 2015 afgerond zouden zijn; een aantal maatregelen lopen door tot na 2015.

2.4 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Langedijk 2012-2030 (2012)

Op het plangebied is de Structuurvisie 2012-2030 uit 2012 van toepassing. Met deze structuurvisie geeft de gemeente de ruimtelijke ontwikkelingen voor de lange termijn weer. De gemeente Langedijk wil inspelen op de demografische ontwikkelingen. De gemeente kiest voor een dorpse sfeer en landelijke uitstraling, geen grote nieuwbouw meer buiten de bebouwde kom, maar zorgvuldige inbreiding op kleine schaal. Een aantrekkelijk woon- en leefklimaat voor oud en jong bieden draagvlak voor voorzieningen en detailhandel.

Visie en missie gemeente Langedijk 2008

In het beleidsdocument Visie en missie gemeente Langedijk 2008 is het beleid voor wonen gericht op het behouden van Langedijk als een uitstekende woonomgeving, de ontwikkeling van de gemeente en daarbij de belangrijke waarden van de gemeente te behouden. Belangrijk is het karakter als landelijke gemeente met onder meer de daarbij behorende schaal. Uitgangspunt bij te bouwen woningen is de bestaande structuur. Het vergroten van de mogelijkheden voor recreatie (en toerisme), zoals het aanleggen van fiets- en wandelpaden, aanlegplaatsen voor vaartuigen en dergelijke kan de woonomgeving van de gemeente Langedijk versterken. Het beleid is er echter niet op gericht om een grote toeristische gemeente te worden. De cultuurhistorie van de gemeente is een belangrijk onderdeel van het karakter. Er wordt gestreefd naar het behouden van het eigen karakter van de verschillende dorpen in de gemeente. Ook door het aanwezige water en de natuur in de gemeente Langedijk herbergt de gemeente een uitstekende woonomgeving.

Ecologische structuurvisie 2012-2022

Het beleidsdocument Ecologische structuurvisie 2012-2020 is richtinggevend voor de integratie van ecologie bij ruimtelijke ontwikkelingen en voor het groen- en waterbeheer. Verder biedt het handvatten voor ruimtelijke projecten om natuur binnen de gemeentegrenzen te versterken. De visie kan ondersteuning bieden aan de identiteit van met name de bestaande natuurgebieden in het buitengebied en het vinden van de balans tussen natuur en ontwikkelmogelijkheden.

Gedragscode Flora- en faunawet Gemeente Langedijk

De Gedragscode Flora- en faunawet (Ffw) Gemeente Langedijk is een gedragscode voor ruimtelijke ontwikkelingen, bestendig beheer en onderhoud en bestendig gebruik. Op basis van de gedragscode kunnen werkzaamheden uitgevoerd worden. De gedragscode is geen vrijblijvend stuk waarmee werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden. De vrijstelling op het aanvragen van een ontheffing Ffw geldt pas als er daadwerkelijk en aantoonbaar volgens de gedragscode wordt gewerkt. De gedragscode ziet op daadwerkelijke realisatie van ruimtelijke ontwikkelingen, bestendig beheer en onderhoud en bestendig gebruik. Daarmee heeft de gedragscode geen directe doorwerking in het bestemmingsplan. Overigens is per 01-01-2017 de nieuwe Wet natuurbescherming in werking en kan herziening van de gedragscode hierop nodig zijn.

Woonvisie Langedijk 2014-2030 (2014)

Het beleid zoals vastgelegd in de Woonvisie 2005-2015 (vastgesteld in 2006) voldeed niet meer aan de huidige omstandigheden. Sinds de kredietcrisis eind 2008 is er heel wat veranderd in de woningbouwmarkt. In de woonvisie uit 2006 werd nog uitgegaan van een ‘maakbare’ woningmarkt. Een hoog sociaal programma voor de periode 2005-2009 werd geëist en dit was ook mogelijk vanwege de opbrengsten uit de vrije sector. De opbrengsten uit de vrije sector zijn tegenwoordig lager en onzekerder, maar de vraag naar sociale woningbouw (betaalbare koop en sociale huur) is eerder toe- dan afgenomen. Er is thans sprake van een markt die zich moet richten op de consumenten zijn wensen en mogelijkheden. Het is nu de tijd voor ‘vraaggestuurd bouwen’ en een uitdaging om hierop in te spelen gezien de financiële middelen. Daarnaast moet echter niet vergeten worden dat woningen voor een zeer lange tijd worden gerealiseerd en er niet te eenzijdig moet worden gebouwd.

Het is duidelijk dat Langedijk, net als bijna heel Nederland, de komende tijd steeds meer te maken krijgt met de vergrijzing. De vergrijzing wordt daarbij versterkt doordat jongeren wegtrekken en er steeds minder jongeren en jonge gezinnen zich vestigen in Langedijk. De vergrijzing leidt ertoe dat met name het aantal huishoudens de komende decennia nog toeneemt. Dit betekent dat er meer woningen nodig zijn. Maar aangezien veel senioren het liefst zo lang mogelijk in de eigen woning blijven wonen, ligt het niet voor de hand dat alle nieuwbouwwoningen uitsluitend geschikt moeten zijn voor senioren. De nieuwbouw moet bereikbaar en geschikt zijn voor alle doelgroepen en huishoudens. Betaalbaarheid is daarbij van belang, maar ook flexibiliteit en variëteit. In de Woonvisie Langedijk 2014-2030 wordt onder andere voorgesteld om uit te gaan van het minimumscenario qua woningbouw betreffende 1.910 woningen tot 2030 (dit is exclusief extra opgave extramuralisering). In de periode 2014 t/m 2030 wordt minimaal 30% aan betaalbare woningen (categorie 1 en 2) gerealiseerd.

Verkeer- en Vervoerplan Langedijk 2008-2018 (2009)

Het Verkeer- en Vervoerplan Langedijk 2008-2018 geeft de beleidskaders voor het verkeer- en vervoerbeleid tot 2018. Met het plan wordt een beleidskader geboden om de verkeersveiligheid en leefbaarheid zoveel mogelijk te verbeteren en de bereikbaarheid in en van Langedijk te waarborgen. Ook is er een concreet actieplan toegevoegd met maatregelen op deze thema’s.

Welstandsnota Langedijk (2013)

In de Welstandsnota Langedijk is een overzicht van welstandseisen voor gebieden, gebouwen en dergelijke opgenomen. Het welstandsbeleid gaat uit van gebiedskwaliteiten met minimale regels waar het kan en maximale kwaliteitseisen waar het moet. Het plangebied ligt in deelgebied 4: woonbuurten 1940-1990 waarvoor een regulier welstandsregime geldt. Dergelijke woonbuurten uit de naoorlogse periode hebben een eenvoudig en recht stratenpatroon met herhaling van identieke woonblokken in rechte rooilijnen. De bebouwing bestaat vooral uit rijwoningen en sporadisch kleinschalige voorzieningen. Op wijk- en buurtniveau is sprake van architectonische samenhang. De inzet is om deze samenhang te behouden en respectvol om te gaan met de bestaande kwaliteiten en incidentele vernieuwingen goed in te passen.


Beleidsnota Cultuurhistorie Gemeente Langedijk 2011

Op 15 februari 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsnota Cultuurhistorie Gemeente Langedijk 2011 samen met de Beleidskaart Archeologie vastgesteld. Voorts is er in 2014 een advies ten behoeve van de Beleidsnota opgesteld. In de aangepaste beleidsnota heeft de gemeente Langedijk haar beleid voor cultuurhistorie uiteengezet. Het streven naar een zorgvuldige omgang met het archeologisch erfgoed leidt tot verscheidene aanbevelingen die een verplicht en facultatief karakter hebben. Op de archeologische beleidskaart is weergegeven welke regels in de verschillende gebieden in de gemeente voor archeologie van toepassing zijn. Het plangebied ligt in een gebied waar archeologisch onderzoek wordt vereist bij een planomvang groter dan 500 m2 en ingrepen dieper dan 40 cm.

Gemeente Langedijk CO2-neutraal (2013)

De missie van de gemeente Langedijk is om in 2035 CO2-neutraal te zijn. In het rapport Gemeente Langedijk CO2-neutraal uit 2013 wordt de huidige CO2-emissie in de gemeente in kaart gebracht en scenario’s opgesteld om de CO2-emissie binnen de gemeente in de periode tot 2035 tot nul te reduceren. Verkeer en vervoer door de bewoners en bedrijven bleek in 2011 verantwoordelijk voor een derde van de CO2-uitstoot. Woningbouw heeft ook een aandeel van een derde in de CO2-uitstoot. De overige uitstoot wordt veroorzaakt door bedrijven en de gemeentelijke organisatie. Het rapport bevat een advies waarin wordt aanbevolen om te starten met het zogenaamde 'Tien Projectenplan' en na uitvoering hiervan dit te evalueren en vervolgens gezamenlijk met alle betrokkenen de koers na 2035 verder in te vullen.

Hoofdstuk 3 Omgevingsaspecten

Uit de bestaande omgevingssituatie kunnen (wettelijke) belemmeringen en/of voorwaarden voor de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan blijken. Uitgangspunt is dat er een goede omgevingssituatie bestaat. In de volgende paragrafen zijn de relevante milieukundige en planologische randvoorwaarden beschreven en beoordeeld op eventuele beperkingen voor het plangebied.

3.1 Ecologie

Normstelling en beleid

In het kader van de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen is het conform artikel 3.1.6 Bro noodzakelijk om aandacht te besteden aan de effecten op natuurwaarden. Effecten dienen te worden beoordeeld in relatie tot geldende wet- en regelgeving op het terrein van soortenbescherming en gebiedsbescherming. Deze beoordeling vindt plaats in relatie tot de Wet natuurbescherming (Wnb) die per 01-01-2017 in werking is getreden en het provinciale gebiedsgerichte natuurbeleid. Voor wat betreft de effecten op natuurwaarden moet onder meer aangegeven worden of er als gevolg van een plan vergunningen of ontheffingen noodzakelijk zijn en, zo ja, of deze verkregen kunnen worden.

De gemeente Langedijk beschikt over een Gedragscode Flora- en faunawet (Ffw) Gemeente Langedijk. De Ffw is per 01-01-2017 in de Wet natuurbescherming (Wnb) overgaan. De gemeentelijke gedragscode is van toepassing op ruimtelijke ontwikkelingen en voor een bestendig beheer en onderhoud en bestendig gebruik van gronden. Op basis van de gedragscode kunnen werkzaamheden worden uitgevoerd. De gedragscode is geen vrijblijvend stuk waarmee werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden. De vrijstelling op het aanvragen van een ontheffing Ffw geldt pas als er daadwerkelijk en aantoonbaar volgens de gedragscode wordt gewerkt. De gedragscode ziet op daadwerkelijke realisatie van ruimtelijke ontwikkelingen, bestendig beheer en onderhoud en bestendig gebruik. Daarmee heeft de gedragscode geen directe doorwerking in het bestemmingsplan.

Onderzoek

Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, is een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd. Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Naast het raadplegen van bronnen is het plangebied ten behoeve van de inventarisatie op 10 april 2018 bezocht door een ecoloog van BügelHajema Adviseurs. De weersomstandig-heden waren: licht bewolkt, circa 13°C en weinig wind.Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, is een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd. De ecologische inventarisatie is als Bijlage 1 bij de voorliggende toelichting opgenomen.


Het plangebied betreft een onbebouwd, braakliggend graslandperceel met parkeerplaatsen aan de Parallelweg te Sint Pancras. Langs de parkeervakken aan de Parallelweg ligt een ruig begroeide plantsoenstrook. Verder is het terrein omsloten door erfscheidingen (schutting) en voetpad het Zuiderlaantje aan de zuidzijde.


afbeelding "i_NL.IMRO.0416.BPSP2012part003-on01_0005.jpg"

Impressie van het plangebied (8 januari 2018)


De plannen bestaan uit het ontwikkelen van woningbouw op de hierboven beschreven locatie. De te realiseren bebouwing zal bestaan uit twee blokken van drie rijen woningen.


Conclusie

Op basis van de uitgevoerde ecologische inventarisatie is gezien de aangetroffen terreinomstandigheden en de aard van het plan een voldoende beeld van de natuurwaarden ontstaan. Uit de ecologische inventarisatie is naar voren gekomen dat aanvullend onderzoek in het kader van de Wnb of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid niet noodzakelijk is. Met inachtneming van het broedseizoen van vogels is een ontheffing van de Wnb op voorhand niet nodig. Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van natuurlijke habitats en soorten. Voor deze activiteit is daarom geen vergunning op grond van de Wnb nodig. Het plan is daarnaast op het punt van provinciaal natuurbeleid niet in strijd met de Provinciale Omgevingsverordening. Op voorhand kan in redelijkheid worden gesteld dat natuurwet en -regelgeving de uitvoerbaarheid van het ruimtelijke plan niet in de weg staat.

3.2 Erfgoed

Wet- en regelgeving

De Monumentenwet 1988 is per 01-07-2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.

De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in het plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.

De gemeente heeft de beschikking over een eigen cultuurhistorische beleidsnota met archeologische beleidskaart (vastgesteld op 15-02-2011).

3.2.1 Archeologie

Toetsing

Op basis van het gemeentelijke archeologische beleid is in het geldende bestemmingsplan Sint Pancras een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' voor het plangebied opgenomen. De archeologische verwachtingswaarde voor de onbebouwde gronden aan de Parallelweg te Sint Pancras is als aannemelijk aangemerkt.

Voor het plangebied in dit bestemmingsplan is de toepasselijke archeologische beschermingsregeling gecontinueerd. Aan de hand van de Beleidskaart Archeologie, behorende bij de Beleidsnota Cultuurhistorie Gemeente Langedijk 2011, is archeologie nu in voorliggend bestemmingsplan geborgd middels een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Met deze archeologische beschermingsregeling is geregeld dat archeologisch onderzoek vereist is bij ruimtelijke ingrepen dieper dan 40 cm en een planomvang groter dan 500 m2.

Omdat het planvoornemen voor de bouw van woningen gepaard gaat met graafwerkzaamheden die de archeologische onderzoeksgrens overschrijden, is het verrichten van een archeologisch onderzoek ter plaatse van de beoogde vergraving voor woningbouw noodzakelijk. De opgenomen archeologische beschermingsregeling in dit bestemmingsplan regelt dat dit onderzoek wordt uitgevoerd en afgerond moet zijn vóórdat de daadwerkelijke ruimtelijke ingreep kan plaatshebben. Indien de uitkomsten uit het archeologisch onderzoek bekend zijn voor de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan, worden de resultaten nog aan voorliggende toelichting worden toegevoegd.

Inmiddels is een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Uit het inventariserend veldonderzoek middels verkennende boringen is gebleken dat binnen het gebied in het verleden circa 40 cm bouwzand is opgebracht. In dit pakket bevindt zich onder andere baksteen en beton. Er zijn op basis van het booronderzoek geen aanwijzingen voor grotere verstoringen. Onder deze opgebrachte laag ligt echter de oude bouwvoor. Onder deze bouwvoor kunnen sporen aanwezig zijn vanaf de late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd. Op grotere dieptes zijn in de boringen twee humeuze niveaus herkend die mogelijk geschikt zijn geweest voor bewoning. Deze niveaus dateren vermoedelijk vanaf de vroege middeleeuwen.


Advies

Bij toekomstige bouwwerkzaamheden die de ondergrond dieper roeren dan 70 centimeter onder het maaiveld dient archeologische onderzoek verricht te worden door middel van een proefsleuvenonderzoek. Hiervan is sprake. Er wordt daarom een Programma van Eisen opgesteld die ter goedkeuring aan de gemeente wordt voorgelegd. Daarna zal een proefsleuvenonderzoek plaatsvinden.


Conclusie

Gelet op de in het gebied van kracht zijnde en met dit bestemmingsplan gecontinueerde archeologische beschermingsregeling en het ingang gezette archeologisch onderzoek mag het planvoornemen voor wat betreft archeologie uitvoerbaar worden geacht.

Nota bene

Als bij toekomstig graafwerk onverhoopt toch archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, dan dient daarvan conform de Erfgoedwet melding te worden gemaakt. Dit kan bij de gemeente Langedijk en de provinciaal archeoloog.

3.2.2 Cultuurhistorie

Toetsing

Als handreiking voor het onderzoek naar cultuurhistorie heeft de provincie Noord-Holland de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie met bijbehorende digitale informatiekaart beschikbaar gesteld. Voor dit bestemmingsplan is deze informatie geraadpleegd. Hieruit blijkt dat in het plangebied en directe omgeving geen cultuurhistorische aspecten aanwezig zijn die mogelijkerwijs zouden moeten worden beschermd met dit bestemmingsplan.

Conclusie

Het planvoornemen kan wat betreft cultuurhistorie uitvoerbaar worden geacht.

3.3 Waterparagraaf

Wet- en regelgeving

Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets. Het doel hiervan is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Door middel van de watertoets als procesinstrument wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan het wateraspect. Het gaat hierbij om de thema’s waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, wegen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw en bestaand oppervlaktewater.

WATERWET

De Waterwet, die per 22-12-2009 van kracht is geworden, heeft gezorgd voor een ingrijpende bundeling van deze wetgeving. Daarnaast heeft het Nationaal Waterplan (NWP), waarvan de eerste versie tegelijk met de Waterwet is verschenen, een formele rol in de ruimtelijke ordening. Het eerste Nationaal Waterplan is tevens een structuurvisie op basis van de Waterwet en de Wro.

Normstelling en beleid

HOOGHEEMRAADSCHAP HOLLANDS NOORDERKWARTIER

De waterbeheerder in en in de directe omgeving van het plangebied is het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Op 03-11-2015 is door het HHNK nieuw beleid vastgesteld in de vorm van het Waterprogramma. Hierin zijn de beleidsdoelen en uitgangspunten voor de periode van 2016-2021 beschreven met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Dit is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, gericht op de thema’s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Daarnaast beschikt het HHNK over een verordening: de Keur 2009. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en -keringen.

Onderzoek/Wateradvies

WATERTOETS

Bij mail van 26 maart 2018 is het planvoornemen in het kader van de watertoets aan het HHNK voor wateradvies voorgelegd. De ontvangen reactie is als Bijlage 2 bij voorliggende toelichting opgenomen. Kort gezegd komt het er op neer dat vanwege het voorliggende plan geen compensatie vereist is vanuit het HHNK. Er zijn door het hoogheemraadschap uit oogpunt van water geen aandachtspunten te benoemen.

Conclusie

Geconcludeerd mag worden dat het wateraspect een goede uitvoering van het planvoornemen van dit bestemmingsplan niet in de weg staat.

3.4 Hinder van bedrijven en voorzieningen

Normstelling en beleid

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de ruimtelijk-functionele afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en hindergevoelige functies (waaronder woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst in de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) uit 2009. Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten (betreffende geluid, geur, stof en gevaar) redelijkerwijs kan worden uitgesloten in gebieden met functiescheiding (omgevingstype 1: rustige woonwijk dan wel rustig buitengebied). De grootst aangegeven afstand is bepalend.

Toetsing

De geldende bestemmingen in het plangebied en omgeving vormen het juridisch-planologisch kader van functies, bebouwing en werkzaamheden die zijn toegelaten. Op basis van deze plannen kan in planologisch-juridische zin ook worden nagegaan welke milieuhinderlijke bedrijvigheid in hoeverre is toegelaten. Bij bestudering hiervan blijkt dat het plangebied in een gebied met hoofdzakelijk woningen is gesitueerd en dat geen milieuhinderlijke bedrijvigheid in de (directe) omgeving aanwezig is. Met voorliggend plan worden woningen toegevoegd en worden geen nieuwe hinderveroorzakende objecten mogelijk gemaakt. Hinder van bedrijven en voorzieningen is met dit plan dan ook niet aan de orde.

Conclusie

Dit bestemmingsplan mag wat betreft hinder van bedrijven en voorzieningen uitvoerbaar worden geacht.

3.5 Geluidhinder

Wet- en regelgeving

De Wet geluidhinder (Wgh) is er op gericht om de geluidhinder vanwege onder andere spoorweglawaai, industrielawaai en wegverkeerslawaai te voorkomen en te beperken. De Wgh bepaalt dat de 'geluidsbelasting' op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan een in de wet bepaalde norm die als voorkeursgrenswaarde wordt aangeduid.

Wanneer binnen een geluidzone langs (spoor)wegen of rondom een geluidgezoneerd industrieterrein nieuwe geluidgevoelige objecten, zoals woningen, worden gerealiseerd, moet door middel van akoestisch onderzoek worden vastgesteld of aan de grenswaarden uit de Wgh wordt voldaan.

Omdat in het plangebied op voorhand geen sprake is van industrie-, spoorweg- of luchtvaartlawaai is hierop niet ingegaan. Wegverkeerslawaai kan vanwege aanwezige weginfrastructuur wel een rol spelen. Hierover het volgende.

Normstelling

Wanneer binnen een bij Wgh vastgestelde geluidzone nieuwe geluidgevoelige objecten, zoals woningen, worden gerealiseerd moet middels een akoestisch onderzoek worden vastgesteld of aan de geldende voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai kan worden voldaan. Elke weg heeft in principe een geluidzone, behalve wegen die binnen een als woonerf aangeduid gebied liggen en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

Toetsing

Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Sint Pancras waar in het kader van het programma Duurzaam Veilig (Verkeer) een snelheidsregime van maximaal 30 km/uur geldt. Dientengevolge is er geen sprake van een geluidzone in het plangebied vanwege omliggende erfontsluitingswegen, zoals de Bovenweg en de Benedenweg. Akoestisch onderzoek is in het kader van de Wgh daarom niet noodzakelijk. Bovendien vindt woningbouw plaats langs een doodlopende weg, waar in geringe mate verkeer langs rijdt. Daarnaast is sprake van een geluidafschermende werking van de bestaande eerstelijnsbebouwing langs de Bovenweg en de Benedenweg. Een nader onderzoek naar wegverkeerslawaai is niet nodig.

Conclusie

De uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan wordt niet belemmerd door het aspect geluidhinder.

3.6 Externe veiligheid

Wet- en regelgeving

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij het gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Het aandachtsveld richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het externe veiligheidsbeleid is verankerd in diverse wet- en regelgeving waaraan een ruimtelijk besluit moet worden getoetst.

Toetsing

In het kader van het Interprovinciaal Overleg (IPO) is een zogenoemde risicokaart ontwikkeld. Op de risicokaart staan verschillende risico-ontvangers en risicobronnen aangegeven. Voor dit bestemmingsplan is op de risicokaart nagegaan of er ook aandachtspunten op het vlak van de externe veiligheid aanwezig zijn. Dit blijkt in de wijde omgeving (een afstand van minimaal 500 m) niet het geval te zijn.

Conclusie

De uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan wordt uit oogpunt van externe veiligheid niet belemmerd.

3.7 Luchtkwaliteit

Normstelling en beleid

In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) van belang. Grenswaarden ten aanzien van de jaargemiddelde concentratie betreffen 40 µg/m3 voor zowel NO2 als PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5. Projecten met een invloed van ‘niet in betekende mate’ (nibm) op de luchtkwaliteit zijn verder vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden.

Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) de volgende projecten vrijgesteld van toetsing:

  • woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen;
  • projecten die minder dan 3% van de (toekomstige) grenswaarde voor NO2 of PM10 bijdragen, wat overeenkomt met 1,2 µg/m3 (Grenswaarde in 2017 is 1.241 auto’s dan wel 109 vrachtwagens per weekdagetmaal).

PM10 en PM2,5 zijn overigens sterk gerelateerd, aangezien PM2,5 onderdeel uitmaakt van de emissie van PM10. Als aan PM10 wordt voldaan, mag daarom worden aangenomen dat ook de grenswaarde van PM2,5 niet wordt overschreden.

Toetsing

Voorgaande vrijstellingsregeling voor woningbouw is van toepassing op het planvoornemen van dit bestemmingsplan. Het toevoegen van woningbouw leidt tot een toename van de verkeersaantrekkende werking (van motorvoertuigbewegingen) van en naar het plangebied. Uitgaande van een gemiddelde van 7 motorvoertuigbewegingen per woning kunnen vanwege het planvoornemen 42 ritten per weekdagetmaal op de toevoerende wegen naar het plangebied worden verwacht. Een dergelijk aantal is niet dusdanig dat de luchtkwaliteit in het geding zou zijn. Dit bestemmingsplan moet dan ook worden beschouwd als een nibm-plan.

Conclusie

Dit bestemmingsplan wordt niet door de wettelijk gestelde eisen wat betreft het aspect luchtkwaliteit belemmerd.

3.8 Bodemkwaliteit

Normstelling en beleid

In het Bro is bepaald dat in de toelichting op een ruimtelijk plan inzicht verkregen moet worden in de uitvoerbaarheid van het plan. Dit betekent dat er onder meer inzicht verkregen moet worden in de noodzakelijke financiële investering in een (mogelijk noodzakelijke) bodemsanering. Een onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is derhalve onderdeel van de onderzoeksverplichting bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan. Daarnaast geldt in het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de volksgezondheid dat het bestemmen van gronden met een bodem van onvoldoende milieuhygiënische kwaliteit met een hiervoor gevoelige bestemming, zoals wonen, in beginsel moet worden voorkomen.

Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet in ieder geval een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. In geval van verontreinigingen is de Wet bodembescherming (Wbb) van toepassing. Hierin is geregeld dat als ter plaatse van een plangebied ernstige verontreinigingen worden aangetroffen er sprake is van een saneringsgeval.

Toetsing

Op de bodeminformatiekaart van Rijkswaterstaat (het Bodemloket) is zoveel mogelijk informatie verzameld over de kwaliteit van de bodem in Nederland. Uit de informatie van het bodemloket blijkt dat er in het plangebied geen bodemonderzoeken en/of bodemsaneringen bekend zijn. Ook is er geen sprake van dat in het plangebied in het verleden 'verdachte' werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Verder kan uit het Bodemloket worden opgemaakt dat een groot gebied direct ten zuidwesten van het plangebied in het verleden reeds afdoende op bodemverontreiniging is onderzocht. Ook hieruit komen geen verdenkingen op een verminderde bodemkwaliteit voor het plangebied naar voren. Gelet op het voorliggende plan bestaat er planologisch geen noodzaak tot het uitvoeren van bodemonderzoek.

Conclusie

Vanuit planologisch oogpunt bestaan er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan ten aanzien van de milieuhygiënische bodemkwaliteit.

NOTA BENE

Voor eventueel te ontgraven en buiten het plangebied af te voeren gronden kan op basis van het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) een milieuhygiënische verklaring van de gronden noodzakelijk zijn. Dit is sterk afhankelijk van de toepassingslocatie. Een verklaring is met bodemonderzoek te verkrijgen.

Ook voor de verlening van omgevingsvergunning voor het bouwen is een verkennend bodemonderzoek nodig omdat hieruit daadwerkelijk de actuele bodemsituatie kan worden opgemaakt en of deze voldoet voor het voorgenomen plan.

3.9 Overig

3.9.1 Verkeerseffecten en parkeren

Voorliggend bestemmingsplan maakt een nieuwe verkeersaantrekkende functie mogelijk. Het planvoornemen leidt tot enige extra verkeersbewegingen van en/of naar het plangebied.

Voor de realisering van het planvoornemen is het noodzakelijk een tiental aanwezige parkeerplaatsen in de openbare ruimte te verwijderen. Het is vervolgens niet goed mogelijk om de vervangende plaatsen en de extra parkeerbehoefte als gevolg van de zes woningen volledig op ‘eigen terrein’ af te wikkelen. In dat verband is een deskundige inventarisatie van de bezetting van aanwezige parkeerplaatsen in de omgeving uitgevoerd. Deze inventarisatie is als Bijlage 3 bij de voorliggende toelichting opgenomen. Op twee weekdagen en vier verschillende tijdstippen (dagdelen) hebben tellingen plaatsgevonden. Uit de daaropvolgende analyse door de gemeentelijke verkeerskundige blijkt dat volstaan kan worden met de realisering van drie vervangende parkeerplekken in de openbare ruimte. Voorgesteld wordt dan ook om, op basis van de tellingen en analyse, ontheffing van de parkeereis te verlenen. Deze ontheffing is door het college van burgemeester en wethouders verleend bij besluit van 23 januari 2018.

Toetsing aan het gemeentelijk parkeerbeleid, dat op 13 december 2016 in de Nota Parkeernormen door de gemeenteraad is vastgesteld, kan dan ook verder achterwege blijven.

3.9.2 M.e.r.-verantwoording

De bij elk ruimtelijk plan uit te voeren m.e.r.-beoordeling houdt in dat nagegaan moet worden of er activiteiten plaatsvinden die negatieve effecten op het milieu kunnen hebben. De grondslag hiervoor is enerzijds het Besluit m.e.r. (Besluit milieueffectrapportage) en anderzijds de hiervoor beschreven onderzoeken.

De activiteiten die in het plangebied worden beoogd, overschrijden geen drempelwaarden in de D-lijst van het Besluit m.e.r. Voor het bestemmingsplan geldt daarom geen plan-MER. Wel is de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling van toepassing. Op 7 juli 2017 is hiertoe een wetswijziging van het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) in werking getreden. Hierdoor dient voor projecten die op de D-lijst van het Besluit m.e.r. voorkomen, maar geen drempelwaarden overschrijden, in het kader van de m.e.r.-beoordeling een m.e.r.-aanmeldnotitie te worden opgesteld.

Het planvoornemen kan worden geplaatst in categorie D11.2 betreffende ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Het opstellen van een m.e.r.-aanmeldnotitie is aan de orde als een private partij de initiatief nemende partij is. Wanneer planontwikkeling door de gemeente wordt begeleid en gecoördineerd ligt dit genuanceerder. De m.e.r.-beoordelingsbeslissing en motivering daartoe is uiteindelijk een verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, die voor activiteiten beneden de drempelwaarden moet nagaan en motiveren of er - op basis van alle relevante (Europese) criteria - belangrijke negatieve milieugevolgen zijn uit sluiten.

Gelet op de beperkte ontwikkeling die voorligt en het afdoende onderzoek als gepresenteerd in vorengaande paragrafen mag in redelijkheid worden aangenomen dat geen onaanvaardbare milieueffecten in het plangebied hoeven te worden verwacht.

3.9.3 Kabels en leidingen

In het plangebied is sprake van nutsinfrastructuur zijnde de gebruikelijke huisaansluitingen betreffende gas, water, elektriciteit, kabel en/of telecom. In en direct rondom het plangebied zijn echter geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig waar in dit bestemmingsplan rekening mee gehouden moet worden.

3.9.4 Duurzaamheid

Duurzaamheid van een gebied of in relatie tot een ruimtelijke ontwikkeling kan tot uitdrukking komen in de thema's: kwaliteit van de leefomgeving, water, energie, mobiliteit, natuur/ecologie en milieu. Onder deze laatste kan onder meer het volgende worden verstaan: gezondheid, externe veiligheid, materiaalkeuze en hergebruik van materialen, duurzaam slopen, geluid, lucht en beheer/onderhoud van een gebied of gebouw. Er bestaat geen wettelijke verplichting om het thema duurzaamheid in bestemmingsplannen vast te leggen. Wel vormt het een belangrijk onderwerp in het sociaal-maatschappelijke debat en daarmee een belangrijk aandachtspunt in het overheidsbeleid. Gemeenten streven in dat kader naar een duurzame (gebouwde) omgeving. Nieuwbouwplannen, zo ook het planvoornemen van dit bestemmingsplan, bieden kansen voor duurzaamheid.

Bestemmingsplannen kunnen echter beperkt worden gehanteerd om duurzame energieaspecten te regelen. Voor eventuele ambitieuze duurzame energiedoelstellingen dienen dan ook extra instrumenten, zoals privaatrechtelijke overeenkomsten, ingezet te worden. De plaatsing van zonnecollectoren en fotovoltaïsche cellen op daken in het plangebied is gewoon mogelijk binnen de regels van dit bestemmingsplan.

DUURZAAM BOUWLOKET

Voor vragen op het gebied van duurzaam (ver)bouwen, energiebesparing of energie opwekken kunnen inwoners en ondernemers van Noord-Holland Noord tegenwoordig bij het Duurzaam Bouwloket terecht. De gemeente Langedijk participeert hier in.

BROCHURE DUURZAAM BOUWEN EN WONEN IN NOORD-HOLLAND NOORD

Wie tegenwoordig een nieuwbouwwoning bouwt, doet dit overigens vrijwel energieneutraal (EPC 0,4) en bij voorkeur ook met duurzame materialen. De regels hierover zijn de afgelopen jaren aangescherpt en vragen nu om nieuwe bouwconcepten. In 2020 mogen alleen nog energieneutrale of energieopwekkende woningen worden gebouwd. Opdrachtgevers, architecten en aannemers bereiden zich daar nu op voor. Door gemeenten is hiervoor samen met de Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord de brochure 'Duurzaam bouwen en wonen in Noord-Holland Noord' (januari 2016) ontwikkeld.

Hoofdstuk 4 Juridische vormgeving

4.1 Plansystematiek

Dit bestemmingsplan is zodanig vormgegeven dat het voldoet aan de vereisten voortkomend uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Bij de vormgeving van de regels en de verbeelding is aangesloten op de meest recente regeling Ruimtelijke Standaarden ruimtelijke ordening en is de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012) toegepast. Het bestemmingsplan voldoet daarmee aan de digitale verplichtingen zoals die per 01-01-2010 van kracht zijn.

De SVBP2012 bevat een aantal juridische regels die moeten worden opgevolgd. Voor de planregels betekent dit dat er sprake is van een aantal dwingend voorgeschreven begripsbepalingen, die worden neergelegd in artikel 1 aangaande de begrippen. Ook schrijft de SVBP2012 voor op welke wijze er invulling moet worden gegeven aan artikel 2 betreffende de wijze van meten. Vanwege het Bro geldt verder een formulering die ten aanzien van de anti-dubbeltelregel en het overgangsrecht eveneens in de planregels moet worden overgenomen.

De regels zijn zo opgesteld dat deze gebruikt kunnen worden in een analoog alsook in een digitaal bestemmingsplan. Op basis van de Wro is het digitaal vastgestelde bestemmingsplan leidend. Als er een verschil bestaat tussen het analoge en digitale bestemmingsplan, is het digitale bestemmingsplan bepalend qua vormgeving en inhoud.

4.2 Toelichting op de bestemmingen

Bestemming 'Tuin'

De bestemming 'Tuin' regelt het gebruik en de bebouwingsmogelijkheden van de naar het openbaar toegankelijke gebied gekeerde zijden van de woonpercelen. In principe geldt in deze bestemming dat uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde, mogen worden gerealiseerd. Deze komen qua maatvoering overeen met de situaties dat deze zonder omgevingsvergunning zijn toegestaan (conform bijlage 2 van het Besluit omgevingsrecht). Er geldt echter een afwijkingsregel. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken voor het bouwen van een overkapping.


Bestemming 'Wonen - Rij'

De bestemming 'Wonen - Rij' maakt het mogelijk dat binnen een op de verbeelding opgenomen bouwvlak rijen woningen gebouwd mogen worden. Per bouwvlak mogen maximaal 3 woningen worden gebouwd. De maatvoering van de woningen is aangegeven in de Bouwregels van de woonbestemming. Buiten het bouwvlak mogen bijbehorende bouwwerken worden gebouwd tot een gezamenlijke oppervlakte van 50 m2 per woning.

Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'

Op basis van het gemeentelijk archeologiebeleid is een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ in het gehele plangebied opgenomen. In samenhang met het gemeentelijk archeologiebeleid is er voor gekozen om de gebiedswaarde te vertalen naar een passend beschermingsregime met betrekking tot de bouwregels.

In de bestemming ‘Waarde - Archeologie 3’ mogen onder gestelde voorwaarden bouwwerken worden gebouwd. Voor werken en werkzaamheden is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden vereist. De vergunning is niet vereist voor het normale onderhoud, gebruik en beheer. Onder voorwaarden kan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden worden verleend.

4.3 Overige aspecten

Additionele voorzieningen

In de regels van dit bestemmingsplan zijn de al dan niet in directe relatie met een bestemming staande voorzieningen bij de bestemming inbegrepen zonder dat dit uitdrukkelijk is vermeld. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om ondergrondse leidingen, verhardingen, bermen, geluidwerende voorzieningen, centrale installaties ten behoeve van de energievoorziening, voorzieningen ten behoeve van de waterbeheersing in de vorm van watergangen, duikers, waterkeringen en dergelijke.

Handhaving

Het bestemmingsplan geeft de gewenste planologische situatie voor het plangebied aan. Bestemmingsplannen zijn bindend voor de overheid en de burger. Enerzijds kan de overheid naleving van bestemmingsplannen afdwingen, anderzijds vormt het bestemmingsplan een juridisch kader voor burgers waaruit deze kan afleiden wat de bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn, op de in eigendom zijnde dan wel de naastgelegen buurpercelen, in de directe woon- en leefomgeving.

4.4 Bestemmingsplanprocedure

De bestemmingsplanprocedure is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de procedure zijn de volgende fasen te onderscheiden:

Ontwerpbestemmingsplan en vaststellingsprocedure

Na aankondiging in de Staatscourant en in het Gemeenteblad en op de website www.ruimtelijkeplannen.nl, wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder zienswijzen omtrent het ontwerp naar voren brengen. Na afloop van de termijn van de terinzagelegging stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd uiterlijk 12 weken na de termijn van terinzagelegging vast.

Vastgesteld bestemmingsplan en beroepsprocedure

Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage. Iedereen die een zienswijze heeft ingediend, heeft ook de mogelijkheid om beroep in te stellen. Op deze hoofdregel is een aantal uitzonderingen:

  • tegen gewijzigde vaststelling kan beroep worden ingediend zonder dat een zienswijze is ingediend, als de gewijzigde vaststelling leidt tot een belang van diegene die eerder geen aanleiding zag om een zienswijze in te dienen;
  • als kan worden aangetoond dat er een dringende reden bestond waarom geen zienswijze is ingediend. Deze optie is gebonden aan een strikte uitleg en zal niet snel aan de orde zijn.

Indien Gedeputeerde Staten (GS) of de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) een zienswijze hebben ingediend die door de gemeenteraad niet volledig is overgenomen of indien de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd heeft vastgesteld, geschiedt bekendmaking en terinzagelegging uiterlijk 6 weken na vaststelling. Binnen 6 weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan er beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).

Indien het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en er gehoor is gegeven aan zienswijzen van GS en/of de ILT wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad uiterlijk 2 weken na vaststelling bekend gemaakt. Tevens wordt uiterlijk 2 weken na vaststelling het bestemmingsplan ter inzage gelegd.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

Grondexploitatie

Op grond van artikel 6.12 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een aangewezen bouwplan is voorgenomen. Wat onder een bouwplan moet worden verstaan, is in artikel 6.2.1. Bro aangegeven. Op basis van het hierin in lid a gestelde ("de bouw van één of meer woningen") wordt het planvoornemen van dit bestemmingsplan als bouwplan aangemerkt. De Grondexploitatiewet, als onderdeel van de Wro, stelt een gegarandeerd kostenverhaal als eis aan bestemmingsplannen. Deze verplichting vervalt wanneer de kosten anderszins zijn verzekerd. De gemeenteraad moet dan wel expliciet besluiten dat er geen exploitatieplan wordt vastgesteld. Wat betreft het plangebied van dit bestemmingsplan geldt dat dit door een private partij in de vorm van collectief particulier opdrachtgeverschap wordt ontwikkeld. De exploitatie van het gebied ligt geheel in handen van en voor risico van de ontwikkelende partij. Conform gemaakte afspraken over de gebiedsontwikkeling voert de gemeente de ruimtelijke procedure en neemt op basis van de gemaakte afspraken deze kosten voor haar rekening. De gemeente hoeft hiertoe geen risicodragende investeringen te doen. De met de voorgenomen ontwikkeling gepaard gaande kosten zijn hiermee anderszins verzekerd. Er bestaat geen aanleiding om een exploitatieplan op te stellen.

Realisatiekosten

Realisatie van plannen in het plangebied en herinrichting van het terrein vindt plaats op basis van collectief particulier opdrachtgeverschap . De gemeente hoeft hiervoor geen risicodragende investeringen voor haar rekening te nemen.

Planschade

Door het opstellen van dit nieuwe bestemmingsplan voor de betreffende gronden is er de kans dat door eigenaren van gronden in de directe omgeving van het plangebied bij de gemeente op grond van artikel 6.1 Wro een verzoek tot tegemoetkoming in de planschade wordt ingediend. Diegenen die schade lijden door de bestemmingsplanherziening omdat hun onroerend goed in waarde vermindert, kunnen de schade verhalen (voor zover deze redelijkerwijs niet voor de aanvrager behoort te blijven) wanneer dit boven de 2% van de waarde van het onroerend goed uitkomt. De mogelijke kosten die samenhangen met een tegemoetkoming in de planschade worden door de initiatiefnemer van dit bestemmingsplan gedragen. Hiervoor is tussen gemeente en initiatiefnemer een planschadeverhaalovereenkomst gesloten.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Overleg en inspraak

In het kader van het bestuurlijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro wordt dit bestemmingsplan aan verschillende maatschappelijke instanties aangeboden die daarmee in de gelegenheid worden gesteld om een overlegreactie op het plan in te dienen. Wanneer inhoudelijke reacties zijn ingediend, worden de resultaten hiervan te zijner tijd in deze paragraaf behandeld. Het overleg vindt plaats ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan.

Gelet op het kleinschalige karakter van dit bestemmingsplan wordt verder geen inspraakprocedure voor het plan gevolgd. Wel wordt door de kopersvereniging en de gemeente een informatiemoment georganiseerd waarbij omwonenden actief benaderd worden om aanwezig te zijn bij het informatiemoment.

Tervisielegging

In de periode van tervisielegging van het ontwerpplan bestaat op grond van de Wro de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen op het bestemmingsplan in te dienen. De ingediende zienswijzen worden samengevat en voorzien van een beantwoording in een Reactienota zienswijzen. De Reactienota zienswijzen zal als bijlage 4 bij de voorliggende toelichting worden opgenomen.